Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'209
verslappen, erschlaffen;
ifig.) schwä'chen.
zich verslaven aan, sich ...
(met datief)... erge'ben.
versleten, ab"genutzt'.
zich verslikken,
sich verschluc'ken.
verslimmeren, (erger wor-
den:) sich verschlim'-
raern; (erger maken:)
verschlim'mern.
verslinden, verschlin'gen.
verslijten, ab"nut'zen.
versmachten,
verschniach'ten.
versmachten van dorst, vor
Durst verschmach'ten
versmaden, verschmä'hen
versmelten, verschmel'zen
versnapering, der Lec"ker
bis'sen, 2; die Erfri'
schung, 5.
versnaperingetje, die Lek-
kerei', 5.
versnellen,
beschleu'nigen.
verspelen, verspie'len.
verspieden, spä'hen, spi-
onie'ren, kund"schaf-
ten.
verspieder, der Spii'her,
2; der Kund"schaf'ter,
2.
verspieding, die Aus"spä'-
hung; die Kund'schaft.
verspillen, vergeu'den,
verschleu'dern, ver-
schwen'den.
verspreid, aus"gebrei'tet.
verspreiden, verbrei'ten,
aus"brei'ten.
verspreider, der Verbrei'-
ter, 2.
verspreiding, die Verbrei'-
lung.
zich verspreken,
sich verspre'chen.
■verstaan, verste'hen.
verstaanbaar,
verstiind'lich.
verstand, der Verstand'.
het gezond verstand, der
natür"li'che Verstand.
verstandhouding, das Ver-
ständ'nis, 1.
verstandig, verstän'dig;
vernünftig.
versteend, verstei'nert;
(stijf van koude:) er-
starrt'.
bij verstek, in Kontumaz'.
versteld staan, entsetzt'
sein.
verstellen, flic'ken, aus"-
bes'sern, reparie'ren.
versterken, verstär'ken.
versterkende middelen,
stär'kende Mit'tel.
versterking, dieStär'kung,
O.
M