Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'205
verkwisten, verschwen'-
den.
verkwistend, verschwen'-
derisch.
verkwister, der Ver-
schwen"der, 2.
verkwijnen, verschmach'-
ten, (vor Leid; verge'-
hen, sich ab"här'men.
verlakt goed, lackier'te
Sa'chen.
f^ verlangen, verlan'gen.
het verlangen, das Ver-
lan'gen.
verlaten, verlas'sen.
geheel verlaten zijn, ganz
verlas'sen sein; von
al'ler Welt verlas'sen
sein.
verleden, vergan'gen.
verleenen, verlei'hen.
verlegen, verle'gen.
verlegenheid, die Verle'-
gen heit.
verleiden, verfüh'ren, ver-
lei'ten,
verleiding, die Verfüh'-
rung, 5; die Verlei'-
tung, 5.
verlevendigen, bele'ben.
verlicht, beleuch'tet; (ßg.)
aufgeklärt'.
verlichting, die Beleuch'-
tung, 5; {ßg.) die Auf-
klä'rung; dieErleich'-
terung, die Lin'derung.
verliefd, verliebt'; verliefd
zijn op, verliebt' sein in.
verlies, der Verlust', 1.
verliezen, verlie'ren.
verlof, der Urlaub; (fig.}
die Erlaub'nis, L
verloochenen, verleug'nen.
verloofd, verlobt'.
verloren, verlo'ren.
verlossen, erlö'sen.
verlossing, die Erlö'sung.
verloving, die Verlo'bung.
verluieren, faulen'zen ;
mü'ssig hin"brin'gen.
zich verlustigen in, seine
Freu'de ha'ben an, sich
ergöt'zen an.
verlustiging, die Ergöt-
zung, 5.
vermaak, das Vergnü"gen
(mrv.: die Vergnü"-
gun'gen), die Belu'sti-
gung, 5.
vermaard, berühmt';
(in kwaden zin:) be-
rüch'tigt.
vermaardheid,
die Berühmt'heit.
vermakelijk, ergötz'lich.
vermakelijkheid, die Er-
götz'lichkeit', 5; (ook:)
die Belu'stigung, 5.
vermaning, die Ermah'-
nung, 5.