Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'202
neu'e Bund, das al'te
und das neu'e Testa-
ment'.
verborgen, verbor'gen.
verborgenheid, die Ver-
bor'genheit, 5.
verbrunden, verbren'nen,
verbreiden, verbrei'ten.
verbreken, verbre'chen;
(fig.) bre'chen.
verbroederen, verbrü'dern.
verbroedering, die Ver-
brü'derung, 6.
verbroken, ifig.) gebro'-
chen.
verbruik, der Verbrauch'.
verbrijzelen, zerschla'gen;
{fig.:) sich zerschla'-
gen.
verbijsterd, aus der Fas'-
sung.
verbijsteren, aus der Fas'-
sung brin'gen; verwir'-
ren.
verbijstering, die Bestür'-
zung.
verdacht, verdäch'tig.
het verdacht, der Ver-
dacht'.
verdedigen, vertei'digen.
verdediging, die Vertei'-
digung.'
verdek, das Verdeck', 1.
verdenking, der Verdacht'.
verder, wei'ter.
verderf, das Verder'ben.
verdichtsel, die Erdich'-
tung.
verdienen, verdie'nen.
Verdienste, der Verdienst',
1; (in geld:) das Ver-
dienst', 1.
verdienstelijk, verdienst'-
voll.
verdieping, der Stock, 1*;
op de derde verdieping,
lm driften Stoc'ke.
verdoemen, verdam'men.
verdoold, ab"geirrt'.
verdorven, verdor'ben.
verdraagzaam, duld'sam.
verdraagzaamheid, die
Duld"samkeit'.
verdragen, ertra'gen; dul'-
den.
verdriet, der Verdruss'.
verdrinken, ertrin'ken.
zich verdrinken,
sich ertrin'ken.
verdrogen, aus"trock'nen.
verdrukker, der Unter-
drüc'ker.
verdrukking, die Unter-
drüc'kung, 5.
verduidelijken, deuf'lich
ma'chen; erklä'ren.
verduiveld, verteu'felt.
verduren, erdul'den; er-
lei'den.
verduwen, verdau'en.