Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'199
veehoeder, der Vieh'hirt,
5.
veekooper, der
Vieh"händ'ler, 2.
veemarkt,
der Vieh'markt, 1*.
veepest, die Vieh"seu'che.
veeprijzen,
die Vieh"prei'se.
veestapel, der Vieh'stand,
der Vieh'stock.
veeteelt, die Vieh'zucht.
veevoeder,
das Vieh'Tut'ter.
veeg, dem Ster'ben na'he;
schlimm.
de veeg, die Schram'me,
5; der Hieb, 1.
veegsel, das Keh'richt.
veel, viel.
veelal, manch'mal.
veelbelovend,
viel"verspre'chend.
veelgoderij, die Viel"göt-
terei'.
veelhoofdig, viel"köp'fig.
veeljarig, viel'jah'rig.
veelkleurig, viel"far'big.
veellicht, vielleicht'.
veelmin, viel we'niger.
veelschrijver, der Viel"-
schrei'ber, 2.
veelsoortig, viel"ar'tig.
veelsoortigheid, die gro'sse
Verschie'denheit.
veelszins, in man'cher
Hin'sicht.
veelte, die Men'ge.
veeltijds, manch'mal, oft.
veelvermogend, viel"ver-
mö'gend.
veelvoud, das Viel"fa'che.
veelvuldig, viel'fach, viel"-
fäl'tig.
veelwijvenj, die Viel'wei-
berei".
veem, der Verein', 1 ;
(historisch:) die Feh'-
me, 5.
veemgerecht, das Fehm"-
gericht'.
veen (veengrond), die
ïorf'erde; der Torf-
bo'den, das Torf'land,
das Torfmoor.
veenbaas (veender),
der Torfgräber, 2.
veenderij, die 'Torf'gru'-
be, 5.
veengraver, der Torfgrä-
ber, 2, der Torfste'-
cher, 2.
veer, (veder :) die Fe'der,
5; (springveer:) die
Fe'der, 5; (overvaart-
plaats:) die Fäh're, 5.
veerboot, das Fähr'boot,
1; der Fähr'kahn, 1*.
veergeld, das Fähr'geld,
3.