Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'194
uitdagen, heraus"for'dern.
uitdaging, die Heraus"for-
derung, 5.
uitdeeling, die Aus"tei'-
lung, 5.
uitdooven, aus'lö'sehen;
erlö'sehen.
uitdossen, aus"staffie'ren.
uitdrager, der Tröd'ler, 2.
uitdragerij, die Trödelei',
5.
uitdrukl-elijk, aus"drück'-
lich.
uitdrukking,
der Aus'druck, 1*.
uitduiden, aus"deu'ten.
uitdijen, sich auf'blä'hen.
uiteen, aus einan'der.
uiteinde, das En'de, 4.
uiten, äu'ssern.
uiterlijk, spü'testens.
H uiterlijk, das Äu'ssere.
uitermate, au'sseror"dent-
lich.
uiterst, au'sserst.
uitgaaj', die Aus"ga'be, 5.
uitgaan, aus"ge'hen.
tiitgemaakt,siUs"gemB.c.hi\
uitgenomeii, aus"genoni'-
men.
uitgestrekt, aus"gedehnt'.
uitgeven, aus"ge'ben.
tdtgever, (van hoeken:)
der Verle'ger, 2.
uitgezocht, aus'gesucht.
uitgezonderd, aus"genom'-
men.
uitgieten, aus"gie'ssen.
uitglijden, aus"glei'len.
uithangbord, das Schild,3,
uitheemsch, aus"län'disch;
fremd.
uithooren, aus"hor'chen.
uithouden, aus"harten.
uithuwelijken,
verhei"ra'ten.
idtjouwen,nach"sGhreïen'j
au8"pfei'fen.
uitkauwen, aus"kau'en.
uitkiezen, wäh'len; aus"-
wäh'len.
uitklaren, aus"klarie'ren.
uitklaring, die Aus"kla-
rie'rung, 5.
uitkleeden, entklei'den.
uitkloppen, aus"klop'fen.
uitkomen, (te voorschijn:)
zum Vor'schein kom'-
men; (ontdekt worden:)
aus"kom'men, an's
Licht kom'men; (ak-
koord zijn:) rich'tig
sein.
uitkramen, (fig.) aus"kra'-
men.
uitkrijten voor, schel'ten.
op den uitkijk zijn, auf
der Lau'er ste'hen;
ü'beraU' aus"schau'en.
uitlachen, aus"la'chen.