Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'186
tochten, zie'hen; het tocht,
es zieht.
tochtig, zu'gig, win'dig.
toe, {dicht:) zu; {komaan!)
wohlan' I
toehehooren, das Zu"be-
hör', 1.
toebereidselen maken,
An'stalten ma'chen.
toededen, beschei'den,
zu"tei'len.
toedekken, zu"dec'ken,
toedichten, an'dichten,
zu"schrei'ben.
toedienen, dar'bieten;
verab'reichen.
toedoen, zu"ma'chen; uw
toedoen, Ih're Schuld.
de toedracht, der Vor'gang.
toedragen, sich zu"tra'gen.
toegang, der Zu'gang, 1*;
der Zu'tritt, 1.
toegankelijk voor,
zu"gäng'lich für.
toegeeflijk, nach"giebig.
toegenegen, gewo'gen, ge-
neigt'.
toegift, die Zu"ga'be, 5.
toehoorder, der Zu"hö'rer,
2.
toehuis, das Privat'haus,
3*.
toejuichen, einem Bei'fall
zu"klat'schen, einen
applaudie'ren.
toejuiching, der Bei'fall;
der Applaus'.
toeknikken, zu"nic'ken.
toekomend, {volgend:)
nächst.
toekomst, die Zu'kunft.
toekomstig, künftig.
toelachen, zu"lä'cheln.
toelage, die Zu"la'ge.
toelating, die Zu"las'sung.
zich toeleggen op,
sich le'gen auf.....
toelichting, die Erläu'te-
rung, 5.
toeloop, der Zu'lauf.
toeluisteren, zu"hö'ren.
toen, {nadat:) als; {daar:)
da ; {toenmaals:) da'-
mals.
toenaam, {bijnaam:) der
Bei"na'me, 5; {scheld-
naam:) der Zu"na'me.
toenemen, zu"neh'men.
toeneming, die Zu"nah'me.
toepasselijk op, an"wend'-
bar auf.
toepassen op, an"wen'den
auf.
toepassing, die An"wen'-
dung, 5.
toer, die schwie'rige Auf'-
ga'be; die Tour, 5.
toereikend, hin"rei'chend.
toeren, ei'ne Spazier'fahrt
ma'chen; lusf'fah'ren.