Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'185
das Erwach'sen, das
Gedei'hen.
tierelieren, zwit'schern;
tririern; wir'beln.
tieren, {aarden;) gedei'-
hen ; {razen:) ra'sen,
liir'men.
tierig, {goed groeiend :) ge-
dei'hend; {loelgemoed:)
mun'ter.
tik, der Tick, 1 ; een tik
om de ooren, eine Ohr"-
fei'ge, 5,
tikken, {een tikkend geluid
maken:) i\Q,'kQV\', tikken
op, schla'gen auf; tik-
ken aan, klop'fen an.
het tikje, 1. der Putsch, 1 ;
2. der Anklnng.
tiktak, das Trick'track.
tiktakken, Trick"track
spie'len,
op til, bevor"ste'hend.
tillen, auf'he'ben.
timmeren, zira'mern.
timmerman, der Zim"mer-
mann' (mrv.;-leute).
timmerwe7i', das Zim"mer-
werft', 1.
thi, das Zinn.
tinnegieter, der Zinn"gie'-
sser, 2.
staatkundige tinnegieter,
der poli'tische Kan"-
iiengie'sser.
tintelen,f\in'ke]n]zijn rede-
voering tintelde van geest,
seine Re'de sprüh'te
von Witz.
tip, der Zip'fel, 2; die
Spit'ze, 5.
tirailleeren, plän'keln,
tiraillie'ren.
tirailleur, der Plän'kier,2,
der Tirailleur'(mrü.:-s).
tiran, der Tyrann', 5.
tirannie, die Tyrannei',
5.
tiranniek, tyran'nisch.
tiranniseeren, tyrannisie'-
ren.
titel, der Ti'tel, 2.
titulair, titulair'.
titularis, der Titular', 1.
titulatuur, die Titulatur'.
tituleeren, titulie'ren.
tjalkschip, das Tjalk'-
schifif, 1.
tjilpen, zir'pen, zwit'-
schern.
tohhe, der Kü'bel, 2.
tobber, {mannelijk:) der
ar'me Teu'fel, 2.
{vrouwelijk:) die Ar'-
me, 5.
toch, doch.
tocht, {reis:) der Zug, 1*;
{sterke luchtstroom, trek-
king:) der Luft'zug.
tochtdeur, die Zug'tür, 5.