Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
'175
de streng, die Sträh'ne 5,
der Strang, 1*.
strengel, die Flech'te, 5.
strengelen, flech'ten.
streven naar, stre'ben
nach; er naar streven,
sich bestre'ben um.
strik, die Schleife 5; der
Strick, 1 ; {valstrik;)
die Schlin'ge, 5.
strikken, mit ei'ner
Schlei'fe fesf'bin'den.
strikt, genau', streng.
strikvraag, die verfling'-
liche Fra'ge, 5.
strompelen, stol'pern.
stroo, das Stroh.
strooien {= van stroo),
stro'hern; strooien hoed,
der Stroh'hut, 1*.
strooien, streu'en.
strooister, das Streu"mäd'-
chen, 2; die Streu'erin,
5.
{japon)strook, die Fal'-
bel, 5.
strooken met, stim'men mit
stroom, der Strom, 1*.
stroomen, strö'men, üie'-
ssen.
stroop, der Sirup'.
stroopen, wild"die'ben.
strooper, der Wild'dieb, 1.
strooperij, die \Vild"die-
berei'.
strootje, das Stroh"h;ilm'-
chen.
sti'op, der Strick, 1.
stropdas, die Hals"bin'de,
5.
stroperig, si"rupar'tig.
Strophe, die Stro'phe, 5.
strot, die Keh'le, 5.
struif, der Ei"erku'chen, 2.
struik, der Strauch, 1*.
struikelhlok, das Hin'der-
nis, 1; der Stein des
An"sto'sses.
struikelen,
stol'pern, sträu'cheln,
struikroover, der Stra'ssen-
räu'ber, 2.
struisveder, die Strau'-
ssenfe'der, 5.
struisvogel, der Strauss, 1.
strijd, der Streit, 1, der
Kampf, 1* ; om strijd,
um die Wet'te.
strijden, strei'ten ; kämp'-
fen.
strijden met, {met datief)
zuwi'der sein,
strijder, der Kämp'fer, 2.
strijdig met, (jnet datief)
zuwi'der.
strijdzuchtig, krie'gerisch;
{fig.) streif'süch'tig.
strijkelings, strei'fend.
strijken, strei'chen; (met
een strijkijzer:) bü'geln.