Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
171
sterveling, der Sterb'ling,
1.
sterven, ster'ben.
op sterven liggen, am To'-
de, in den letz'ten
Zü'gen lie'gen.
steun, die Unterstüt'zung,
5; die Stüt'ze, 5.
steunen, (ondersteunen:)
unterstüt'zen, stüt'zen.
steunen, (met klaagstem:)
stöh'nen.
steur, der Stör, 1.
steven, der Ste'ven; voor-
steven, der Vor"der-
ste'ven; achtersteven,
der Hin"terste'ven.
stevenen, steu'ern.
stevig, tüch'tig.
stichtelijk, erbau'lich.
stichten, stiften; (totgods-
vrucht opiuekken:) er-
bau'en.
stichter, der Stifter, 2.
stichting, die Stiftung, 5.
stiefbroeder, der Stief-
bru'der, 2*.
stiefdochter, die Stief-
toch'ter, 2*.
stiefouders, die Stief'el'-
tern,
stier, der Stier, 1; der
Farre, 5.
stierengevecht, das Stier"-
gefecht', 1.
stierevleesch, das Stier'-
tleisch.
stikdonker, stock"fin'ster.
stiklucht, die Stick'luft.
stikvol, erstic'kend voll".
stikken, erstic'ken.
stikken, (met de naald:)
stic'ken.
stil. still.
stillen, slil'len.
stilletje, der Nacht'stuhl,
1*.
stilte, die Stil'le.
in stilte, in der Stil'le;
(fig.) heim'lich.
stinken naar, stin'ken
nach; ü'bel rie'chen
nach.
stinkerd, der Stijnker, 2.
stinksloot, der Stink"gra'-
ben, 2*.
stippelen, tüp'feln.
stipt, pünkt'lich, genau'.
stoeien, sich bal'gen ; sich
rau'fen.
stoel, der Stuhl, 1*.
de Heilige stoel, der Hei'-
lige Stuhl.
stoelenmatter, der Stuhl"-
Üech'ter.
stoelenzetster. die Stuhl"-
set'zerin, 5.
stoelgang, der Stuhl'gang,
stoelkussen, das Stuhl"-
kis'sen, 2.