Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
169
standbeeld, die Sta"tu'e, 5,
die Bild"säu'le, 5.
standhouden, stand hal'-
ten.
standvastig, stand'haft.
standje, der Streit 1; die
Hän'del; {iemand een
standje maken:) einem
eine Rü'ge ertei'len.
stank, der ü'ble Geruch",
1*; der Gestank'.
stap, der Schritt, 1.
stapel, {hoop:) der Sta'-
pel.
{schip) op siapei,(Schiff)
im An'bau.
van stapel laten, vom
Sta"pel lau"fen las'sen.
stapelen, sta'peln.
stapelgek, total' verrückt',
wahn"sin'nig.
stapelplaats, der Sta"pel-
ort, 1; der Sta"pelplatz',
1*.
stappen, schrei'ten.
Staten-Generaal,d\e Gene-
raU'-Staa'ten.
statig, statt'lich, fei'er-
lich.
station, die Station', 5;
{spr.: staat-sjoon'); der
Bahn'hof, 1*.
de statistiek, die Statis-
tik', 5.
statistisch, statis'tisch.
statuur, die Statur', 5.
staven, bestä'tigen; be-
le'gen; bewei'sen; be-
grün'den.
stedeling, der Stiid'ter, 2.
stedelijk bestuur, die
Stadt"o'brigkeit, 5; der
Stadt"magistrat', 1.
steeds, im'mer, all'zeit.
steedsch, städ'tisch.
steeg, die Gas'se.
steek, der Stich, 1.
steek, {driekante hoed:)
der Drei'spitz, 1; {gala-
hoed:) der Claque {spr.:
kla'ke).
steekhouden,
Stich"hal'ten.
steel, {handvat:) der Stiel,
1; {lange slok:) der
Stock, 1*; {stengel:)
der Sten'gel, 2.
steen, der Stein, 1.
steenhouwer,
der Stein"hau'er.
steenig, stei'nicht, stei'-
nig.
steenigen, stei'nigen.
steenkolen, die Stein"koh'-
len.
steenrots, der Fels, 4; der
Fel'sen, 2.
steenzout, das Stein'salz.
steiger, das Gerust', 1.
steigeren, sich biiu'men.