Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
167
sprengen, bespren'gen,
besprit'zen.
sprengkwast, der Spreng"-
we'del, 2.
Sprenkel, 1, dieFal'le, 5;
2,(sprank:) der Feu"er-
fun'ke, 4; 8. der Trop'-
fen, 2.
spi'enkelen, spren'gen.
spi'enk, der Spruch, 1*.
springbron, der Spring"-
hrun'nen, 2.
spi'ingen, sprin'gen.
spj-ingtij, die Spring'tiut,
o.
springveer, die Spring"-
fe'der, 5,
spruitjes, {kool:)
die KohT'spros'sen.
spruw,
der Mund'schwaniui.
spuit, die Sprit'ze, 5; (om
brand te blusschen:) die
Feu"ersprit'ze, 5.
spuiten, (met eene spuit:)
sprit'zen.
spui, das Zeug;
spullen, die Sa'chen.
spurrie, der öpergel.
spuugsel,
der Spei'chel.
spuwen, spei'en, spuk'-
ken.
spijker, der Na'gel, 2*.
springvloed, die Spring'- spijkeren, na'gehi.
flut, 5. spijkervast, na"gelfest'.
sprinkhaan, \ spijs, die Spei'se, 5.
die Heu"schrec'ke, 5. spijt, das Bedau'ern, die
sproei, die 8om"iner- Reu'e.
spros'se, 5. spijten. Leid tun; dau'-
sproetig, sonj"nierspros'- ern; het spijt mij, es
tut mir Leid, ich be-
dau'(e)re.
spijtig, verdriess'lich.
'Pr^ï^' I spei'sen.
spijzigen, ) ^
«ig.
sprokkelen, dür'res Holz
sam'meln.
sprokkelhout, das Sprock'-
holz; das Fall'holz.
sprong, der Sprung, 1*. st.! still!
sprookje, das Mar'chen, staaf, {goad en zilver:)
2. die Bar're, 5; {ijzer:)
sprot, die Sprot'te, 5. die Stan'ge, 5.
spruit, der Spross, 1; staak, der Pfahl, 1*; die
(^(/.)der Spröss'iing, 1. i Stan'ge, 5; (hoonen-