Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
164
ken, 2 ; das Souvenir'
(mrv.: -s).
souverein, der Souverän',
1.
spaarzaam, spar'sam.
span, {lengtemaat;) die
Span'ne,5; («?-e^;diere?i:)
das Gespann', 1.
spanning, die Span'nung;
{fig.) die ün"ruh'e,
die Besorg'nis.
sparen, {opsparen:) erspa-
ren ; {ontzien:) spa'ren;
scho'nen.
spartelen, zap'pein, sich
sträu'ben.
specerijen, das Gewürz', 1.
specht, der Specht, 1.
speculant, der Spekulant',
5.
speeksel, der Spei'chel.
speeWjaZ.derSpiel'ball, 1*.
speeldoos, die Musik"do'-
se, 5.
speeldoosje, die Spiel"-
mar'kendo"äe, 5.
speelgoed, das Spiel'zeug,
die Spiel"sa'chen.
speelgoedwinkel, die
Spiel"wa'renhan'-
dlung, 5; der Spiel"-
zeugla'den, 2*.
speelhel, die Spiel"hörie.
speelman, der Spiel'-
mann, 3*.
speelsch, spie'lerisch.
speeltafeltje, der Spiel'-
tisch, 1.
speetjespaling,
der Spiess'aal.
spek, der Speek.
spekslager, der Schwei"-
nemetz'ger, 2.
spektakel, der Spekta'kel;
spektakel schoppen,
Spekta'kel ma'chen.
spel, {'t spelen :) das Spiel,
1 ; {eene partij:) die
Partie', 5 ; {kermistent:)
das Kir"meszelt', 1;
een spel kaarten, ein
Spiel Kar'ten.
spelbreker, der Stö'ren-
fried, 1.
speld, die Steck"na'del,
5.
speldeknop, der Steck"na'-
delknopi', 1*.
speldengeld, das Na"del-
geld'.
speldenkussen, das Steck"-
na'delkis"sen, 2.
spelen, spie'len.
speler, der Spie'ler, 2.
spellen, buchstabie'ren.
spelling, das Buchstabie-
ren ; {ook :) die Kecht"-
schrei'bung.
spelonk, die Höh'le, 5.
spendeeren, aus"ge'ben;