Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
160
slenteren, schlen'dern,
Pfia"ster tre'ten.
slepen {gesleept worden:)
schlep'pen; {moeilijk
gaan;) müh'sam fort"-
schrei'ten.
sZeMr,derSchlen"driaii', 1.
sleutel, der Schlüs'sel, 2.
sleutelgat, das Schlüs"sel-
loch', 3*.
slib, der Schlamm.
slibberig, schlam'mig.
slik, der Kot.
slikken, schluc'ken.
slikkerig, ko'tig.
slim, {sluw ;) schlau ;
{erg ;) schlimm.
slim{mig)heid, die Schlau-
heit.
slinger, die Schleu'der,
5; der Schwen'gel, 2;
der oder das Pen'del, 2.
slingeren, schwin'gen;
{kronkelen:) sich
schlän'geln.
slinken, ein"schrump'fen;
ab"neh'men; ein"ko-
chen.
sloep, die Schalup'pe, 5.
sloj, un"acht'sam, nach"-
lässig.
de slof, die Schlar'fe, o.
slok, der Schluck, 1.
slokje, {teugje:), das
Schlück'chen, 2;
{snapsjei) das Gläs'-
chen, 2.
slons, die Schlum'pe, 5.
slonzig, schlum'pig.
sloof, die Schür'ze, 5;
(fig.) die Skia'vin, 5.
sloop, der Ü"berzug', 1*.
slaopen, 1 {wallen, steden) :
schlei'fen; 2 (huizen:)
ab'tra'gen, nie'derrei'-
ssen; 3 {een schip:)
auseinan'derneh'men;
4 {krachten:) erschöp'-
fen, auf'rei'ben. Pijn
sloopt, Schmer'zen rei-
ben auf.
slooping, das Schlei'fen,
die Zerstö'rung.
sloot, der Gra'ben, 2*.
slootje, {kleine sloot;) der
klei'ne Giix'hen; {klein
slot:) das Schlöss'chen.
slordig, schlum'pig.
slorpen, schlür'fen.
slot, {sluiting:) das
Schloss, 3*; {einde:)
der Schluss.
sluier, der Schlei'er, 2.
sluik, schlicht.
sluiken, schmug'geln.
sluiker, der Schmug'gler,
2.
sluikerij, ) die Schmug-
sluikhandel^ gelei', 5.
{ter) sluiks, verstoh'len.