Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
159
slaapmuts, die Schlaf"-
müt'ze, 5.
slaapwandelaar, der
Schlaf"wand'ler, 2.
slaapster, die Schlä'ferin,
5.
slabbakken, zau'dern;
nach'lagsen; zurück"-
blei'ben.
slachtbank, die Schlacht'-
bank, 1*.
slachten, {dooden:),
schlach'ten, {fig.) nie-
dermet'zeln; {gelij-
ken :) glei'chen.
slachter, der Schläch'ter,
2 ; der Metz'ger, 2.
slachterij, das Schlacht'-
haus, 3*.
slachting, das Schlach'-
ten ; (fig.) die Metze-
lei', 5.
slag, der Schlag, 1*.
slagboom, der Schlag'-
baum, 1*.
slagen, gelin'gen ; het is
geslaagd, es istgelun'-
gen; hij is geslaagd,
es ist ihm gelun'gen.
slager. Zie slachter,
slagerij. Zie slachterij,
slagorde, die Schlaclit"-
ord'nung, 5.
slak, die Schnec'ke, 5.
slang, die Schlan'ge, 5.
slang eener spuit, der
Feu'ersprit'zen-
schlauch, 1*.
slank, schlank.
slap, schlaff.
slapeloos, schlaflos.
slapen, schla'fen.
slaper, der Schlä'fer, 2.
slaperig, schläfrig.
slaven,
schwer ar'bei'ten.
slavenhandel, der Skla"-
venhan'del.
slavernij, die Sklaverei'.
slavin, die Skla'vin, 5.
slecht, schlecht.
slechten, schlei'fen.
slecht{ig)heid, die
Schlech'tigkeit.
slechts, nur.
slede, der Schlit'ten, 2.
sleep, die Schlep'pe, 5.
sleepboot, das Schlepp-
boot, 1.
sleepen, schlep'pen.
sleepjapon, das Kleid
mit einer Schlep'pe.
sleeptouw, das Schlepp'-
tau; op het sleeptouw
nemen, ins Schlepp'tau
neh'men.
slempen, schmau'sen.
slemppartij, die Schmau-
serei', 5, der Schmaus,
1*.