Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
156
schromen, fürch'ten.
schroom, die Purcht.
schroomvallig, furcht'sam.
schroot, der Trau"benha'-
,gel; een schot met
schroot, ein Trau"ben-
schuss', 1*.
schrupel, der Skru'pel, 2.
schrijlings, ritt'lings.
schrijfbehoeften, die
Schrei"bemateria'lien,
das Schreib'zeug.
schrijffout, der Schreib"-
feh'ler, 2.
schrijfpapier, das
Schrei b"papier'.
schrijfster, (van een brief:)
Schrei'berin, 5; (va,n
een boek:) die Schrift"-
stel'lerin, 5.
schrijftafel, der Schreib'-
tisch, 1.
schrijfiverk, die Schreib"-
ar'beit, 5.
schrijnwerker, der Tisch'-
ler, 2, der Schrei'ner,
2.
schrijven, schrei'ben.
schrijver, der Schrei'ber,
2 ;' (auteur :) der
Schriff'stel'ler, 2, der
Verfas'ser, 2.
schub, die Schup'pe, 5.
schubbig, schup'picht.
schudden, schüt'teln.
' schudding, das Schüt'tehi.
schuier, die Bür'ste, 5.
schuieren, bür'sten.
schuif, der Schie'ber.
zich schuil houden, sieh
verstec'ken.
schuilhoek, der Schlupf"-
win'kel.
schiülen,
Schutz" su'chen.
schuim, der Schaum, 1*.
schuimbekken van,
schäu'men vor.
schuimspaan, die
Schaum"kel'le, 5 ; der
Schaum"löf'fel, 2.
schuinsch, ) schräg,
in de schuinte, ^ schief.
schuil, das Boot 1; der
Na'chen, 2.
schuiven, schie'ben.
schuld, die Schuld, 5.
schuldbekentenis, der
Schuld"schein, 1, die
Schuld" verschrei'bung,
5.
schuldeischer, der Gläu'-
biger, 2.
schuldenaar, der Schuld'-
ner, 2.
schuldig, schul'dig.
de schuldige, der (die)
Schul'dige, 5.
schulp, die Scha'le, 5;
die Mu'schel, 5.