Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
155
der Spa'ten, 2, die
Schilp'pen, 5.
schor, hei'ser, rauh.
schoren, stüt'zen.
schors, die Rin'de, 5.
schorsen, (opschorten:)
aufheben; {van per-
sonen :) suspendie'ren.
schorseneer, die Slforzone'-
re, 5.
schort, die Schürze, 5.
schot, der Schuss, 1*.
schotel, die Schüs'sel, 5.
schots, {ijsschots:) die
Eis"schoI'le, 5.
schouder, die Schui'ter, 5.
schouw, {vaartuig:) der
Kahn, 1*, das Boot, 1;
{inspectie:) die Inspek-
tion', 5 ; die Schau, 5 ;
ivapenschouwing, die
Heer'schau; {schoor-
steen :) der Schorn'stein,
1; der Rauch'fang, 1*.
schouwburg, das Thea'ter,
2.
schouwen, inspektie'ren.
schouwing, die Inspek-
tion', 5.
schragen, (unter) stüt'zen.
schrander, klug.
schrapen, schar'ren, scha'-
ben.
schrapje, der Strich, 1.
schrappen, strei'chen.
schrede, der Schritt, 1.
schreeuw, der Schrei, 1.
schreeuwen, schrei'en.
schreien, wei'nen.
schrift, die Schrift, 5 ;
{bijbel:) die hei'lige
Schrift.
schriftelijk, schrift'lich.
schriftuur. Zie schrift,
schrik, der Schrec'ken, 2.
schrikkeldag, der Schalf-
tag, 1.
schrikkeljaar, das Schalf-
jahr, 1.
schrikkelijk, schreck'lich.
schrikken, schrec'ken.
doen schrikken, schrek'-
ken ma'chen.
schrobbeering, der der'be
Verweis', 1, der Aus"-
put'zer, 2.
schroef, die Schrau'be, 5.
schroefmoer, die Schrau"-
benmufter, 2*.
schroefstoomboot, das
Schrau"bendampf-
schifi, 1.
schroeien, sen'gen.
schroevendraaier, der
Schraubenzie'her, 2.
schrok, der Viel'frass, 1;
der Fres'ser, 2.
schrokkig, gefrä'ssig.
schromelijk, furcht'bar,
fürch'terlich.