Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
154
schipper, der Schiffer, 2.
schipperen, sich fin'den
las'sen, sich ma'chen.
schitterend, glän'zend.
schoen, der Schuh, 1.
schoenmaker, der Schuh"-
ma'cher, 2.
schoensmeer, die Schuh"-
wich'se; die Stiefel-
wichse.
schoffel, die Schau'fel, 5.
schoffelen, schau'feln.
schok, der Stoss, 1*.
schokken, sto'ssen.
schol, (visch ;) die Schof-
le, 5, die Platf'ei'se,
scholier, (jongen:) der
Schuf'kna'be, 5; (meis-
je :) das Schul"mäd'-
chen, 2 ; (beiden:)
die Schü'ler.
schommel, die Schau'kel,
5.
schommelen, schau'keln.
schonk, das Schen"kel-
bein', 1.
schooier, der Bett'ler, 2.
school, die Schu'le, 5.
schoolboek, das Schul'-
buch, 3*.
schoolcommissie,
der Schul'rat, 1*.
schooljongen, der Schul"-
kna'be, 5.
schoolmeester, der Schul"-
mei'ster, 2, der Leh'-
rer.
schoon, (mooi:) schön ;
(zindelijk:) rein.
schoonbroeder,
der Schwa'ger, 2*.
het schoone geslacht, das
schö'ne Geschlecht'.
schoonheid, die Schön'-
heit, 5.
schoonmoeder,die Schwie"-
gerinut'ter, 2*.
schoonvader, der Schwie"-
gerva'ter, 2*.
schoonzoon, der Schwie"-
gersohn, 1*.
schoonzuster, die Schwä'-
gerin, 5.
schoorsteen, der oder das
Kamin', 1; der Schorn'-
stein, 1.
schoorsteenveger, der Ka-
min"fe'ger, 2, der
Schorn"steinfe'ger, 2.
schoot, der Schoss (;mrv.:
Schö'sse).
schop, die Schau'fel, 5;
(met den voet:) der
Fuss'tritt, 1, der
Schupp, 1.
schoppen, schup'pen.
schoppen, (met Fransche
kaarten :) das Pik, 1;
(met Duitsche kaarten:)