Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
151
scÄamei,ärin'lich,dürftig.
zich schamen over, sich
schii'men {met genetief),
schamper, schart', höh'-
nisch, trot'zig.
schampen, strei'fen, leicht
verlet'zen.
schandaal, der Skandal',
1.
schandalig, schiind'lich.
schande, die Schan'de.
schandelijk, schiind'lich.
schans, die Schan'ze, 5.
schapenkaas, der Schaf-
kii'se, '2.
schapenmarkt, der Schaf-
markt, 1*.
schapevacht, das Schaf-
fell, 1.
schapevleesch, das Schaf-
fleisch.
schappelijk, leid'lich,
ziem'lich, bil'lig.
schare, die Schar, 5.
scharensliep, der Sche"-
renschlei'fer, 2.
scharlaken, der Schar'-
lach.
scharnier, das Scharnier',
1.
scharretje, der getrock'-
nete Flun'der, 2.
schat, der Schatz, 1*.
schateren van den lach,
laut la'chen.
schatten, schiit'zen.
schatter, der Schiit'zer, 2.
schaven,
{met de schaaf:) ho'hein-,
{langsschuren\:) rei'ben.
schavot, das Schafott', 1.
schavuit, der Schur'ke, 5.
schedel, der Schei'tel, 2.
scheede, die Schei'de, 5.
scheel, schie'lend.
schele hoofdpijn,
die Migrä'ne.
scheen, das Schien'bein.
scheepje, das Schiffchen,
scheepsbeschuit, [2.
der Schiffs"zwie'back.
scheeps lad ing, die Schiffs"-
la'dung, 5.
scheepstimmerman, der
Schififs"zim'mermann
{mvr. -män'ner und
-leu'te).
scheepsvolk, das Schiffs-
volk.
scheerdoek, das Rasier'-
tuch.
scheerdoos, die Rasier"-
do'se.
scheermes, das Rasier"-
mes'ser.
scheer derswinkel, die Bar-
bief'stu'be.
scheiden, schei'den.
j scheiding, die Schei'dung,
< 5.