Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
150
schaaf, der Ho'bel, 2.
schaafsel,
die Ho"belspä'ne.
schaakbord,
das Scliach'brett, 3.
schaakmat, schachmatt'.
schaakspel, das Schach'-
spiel.
schaakspeler, der Schach"-
spie'ler.
schaakstuk, die Schach"-
figur', 5.
schaal, die Scha'le, 5, die
Wa'ge; (fig.) die Ska'-
la; (schotel:) die Schüs'-
sel, 5.
schaamte, die Scham.
schaap, das Schaf, 1.
schaapherder, der Schä'-
fer, 2.
schaapskooi,
der Schafstal!, 1*.
schaar, die Sche're, 5;
(= menigte:) die Schar,
5.
schaarsch, rar, selten.
schaarschte, die Sel'ten-
heit'; der Man'gel.
schaarsliep, der Sche"ren-
schlei'fer, 2.
schaats,dei Schlitt'schuh,
1.
schaatsenrijden, Schlitt'-
schuh lau'fen.
schaatsenrijder, der
Schlitt"schuhläu'fer,2.
schacheraar,
der Scha'cherer, 2.
schacheren, scha'chern.
schade, der Schaden, 2.
schadeloosstelling,
der Scha"denersatz',
1*.
schadelijk voor, schäd'-
lich (met datief),
schaden, scha'den.
schaduw, der Schaften, 2.
schaduwrijk, schaftig,
schaftenreich.
schakeeren, schattie'ren,
nuancie'ren.
schakeering, die Schattie'-
rung, 5; die Nuan'ce,
5.
schakel, das Kef tenge-
lenk', 1.
schaken, (een spel:)
Schach spie'len; (een
meisje, eene vrouw:)
entfüh'ren.
schaker, der Schach"-
spie'ler, 2; der Ent-
führer, 2.
schako, der Tschako'
{mrv.: -s).
schalk, der Schalk, 5.
schalksch, schalk'halft.
schallebijter, der Horn"-
schrö'ter, 2; der
Hirsch"kä'fer, 2.