Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
145
; ei'ne Rei'he (5)
. , . Zwie'bel,
eineSchnur(l*
f en5)Zwie'bel.
rit, der Ritt, 1.
ritmeester,
der Ritf'mei'ster, 2.
ritselen, ra'scheln.
ritus, das Ritual', 1.
rivier, der Fluss, 1*; de
groote rivier, de stroom,
der Strom, 1*
rivieroever, das U'fer, 2.
riviervisch, der Fiuss'-
fisch, 1,
rob, {visch:) der Rob'be, 5;
geneesdrank:) der Si'-
rup, 1.
robijn, der Rubin', 1.
roebel, der Ru'bel, 2.
roede, die Ru'te, 5.
de roef, die Kajü'te, 5.
roeiboot, das Ru"derboot',
1.
roeien, ru'dern.
roeier, der Ru'derer, 2,
der Ru"derknecht', 1.
roeiriem, das Ru'der, 2.
roekeloos, toirkühn; {ook:)
dumm'dreist.
roem, der Ruhm.
roemen, rüh'men; {in het
kaartspel:) eine Se-
quenz' mei'den; roe-
men op, sich____{met
D.
genetief,)— rüh'men»
roemer, das Wein'glas, 3*.
der Rö'mer, 2.
roemrijk, ruhm'voll.
roepen, ru'fen.
roeper, der Ru'fer, 2.
(= spreekhoorn:) das
Sprach'rohr, 1*.
roeping, der Beruf, 1.
roepstem, die Auf'for'de-
rung, 5.
roer, das Steu"erru"der,
2; aan het roer, am
Steu"erra'de; het roer
van staat, das Staats"-
ru'der.
roeren, riih'ren.
roerloos, un"beweg'lich,
regungslos.
roes, der Rausch.
roest, der Rost.
roesten, ro'sten.
roestig, ro'stig.
roffel, {op de trom:) der
Wir'bel; {bestraffing:)
der Aus"put'zer, 2.
roffelen, pfu'schen, wir-
beln.
rog, (visch:) der Ro'che,
5.
rogge, der Rog'gen.
roggebrood, das Rog"gen-
brot'.
rok, {voor vrouwen:) der
Rock, 1*.
10