Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
144
der Rentier (mrv.: -s ;
spr.: ran-tjee').
rentenier ster, die Rent"-
nerin, 5.
rentmeester, der Rent"-
mei'ster, 2.
reparatie, die Reparatur",
5; die Aus"bes'serung,
5.
repareeren, aus"bes'sern.
repertoire, das Reperto'-
rium.
repeteeren, wiederho'len.
repliceeren, erwi'dern.
republiek, die Republik',
o.
republikein, die Republi-
ka'ner, 2.
request, die ßitt'schrift, 5.
requestrant, der (die) An"-
su'chende, 5.
requestreeren, ei'ne Bitt"-
schrift ein"rei'chen.
resideeren, residie'ren.
residentie, die Residenz',
5.
rest,' der Rest, 1, das
Übrige.
restant, der Restant, 5.
resultaat, der Erfolg, 1,
das Ergeb'nis, 1.
retour, zurück'; die Re-
tour', 5.
retourneeren, retournie'-
ren, zurück"keh'ren;
(ook:) zurück"schik'-
ken, zurück"sen'den.
reuk, der Geruch', 1*.
reus, der Rie'se, 5.
reuzel, das Schmalz, das
Schwei"nefett'.
reuzin, die Rie'sin, 5.
de rheumatiek, der Glie'-
derüuss', der Rheu-
matis'mus.
rheumatisch, rheuma'-
tisch.
rib, die Rip'pe, 5.
richtig, rich'tig.
richting, die Rich'tung, 5.
ridder, der Rit'ter, 2.
ridderlijk, rit'terlich.
rieken, rie'chen.
riem, (van leder:) der
Rie'men, 3; (roeispaan:)
das Ru'der, 2.
de riem papier, das Ries,
1.
riet, das Rohr, 1*
(en 1).
rieten dak, das Rohr'-
dach, 3*.
rillen, schau'dern.
rilling, der Schau'der.
rimpel, die Run'zel.
rimpelig, run'zelig.
ring, der Ring, 1.
riool, die Rin'de, 5.
risico, das Ri'siko.
riskeeren, wa'gen.