Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
129
oproerig, auf'rüh'rerisch.
oproermaker, der Auf"-
ruhrstif'ter, 2; der
Auf'rüh'rer, 2.
opschik, der Schmuck ;
der Putz.
opschorten, auf'schie'ben.
opschrijfboekje, das Notiz'-
buch, 3*.
opschrijven, auf'schrei'-
ben.
opschudding, die Auf"-
schüt'telung; der Tu-
mult'.
opsommen, auf'zäh'len.
opsporen, auf'spü'ren.
opstand, der Aufstand.
opstandeling, der Auf'-
rüh'rer.
optellen, auf'zäh'len.
optocht, der Zug, 1*; der
Aufzug, 1*.
opvatting, die Auffas'-
sung, 5.
opvliegend, auf'fah'rend.
opvoeding, dieErzie'hung.
opvoering (tooneel-), die
Auffüh'rung, 5.
opwarmen, auf'wär'men.
opzettelijk, vor"sätz'lich,
ab"sicht'lich.
oranje, ora"niengelb'.
orde, die Ord'nung.
ordinair, ordinär',
ordinaris, die Gar"-
küche, 5.
orgaan, das Organ', 1.
organiseeren, organisie'-
ren.
organist, der Organist', 5.
orgel, die Or'gel, ó.
orkaan, der Orkan', 1.
os, der Ochs, 5.
ossevleesch, das Och"sen-
fleisch', das Rind'-
fleisch ; gebraden osse-
vleesch, der Rin"der-
bra'ten.
oud, alt.
ouderdom, das ^Al'ter.
ouderling, der Al'teste, 5 ;
der Kir"chenäl'teste, 5.
ouderlijk, el'terlich.
ouders, die Ei'tern.
oudheden, die Aftertü'-
mer.
vanouds, von al'ters her"
von je"her'.
outaar, der Altar', 1*.
ouwel, die Obla'te, 5.
ouwelen, mit ei'ner Obla'-
te versie'geln.
ouwelijk, ält'lich.
oven, der O'fen, 2*.
over, ü'ber.
overal, überall'.
overblijfsel, das Ü"ber-
bleib'sel, 2.