Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
123
ongeregeld, un"gere'gelt.
ongerief, die Un"bequem'-
lichkeit', 5; die Last.
ongerust, un"ru'hig; be-
sorgt'.
ongeschikt, un"geschiokt'.
ongestadig, unbestän'dig.
ongestoord, un"gestört'.
ongetwijfeld, un"gezwei'-
felt.
ongeval, der Un'fall, 1*;
das Un'glück, (mrv.)
die Un"glücksfal'le.
ongeveer, un'gefähr.
ongevoelig, un"empfind'-
lieh ; gefühl'los.
ongewapend, un"bewaQ'-
net.
ongewend, un'gewohnt.
ongezeglijk, un"ar'tig,
un"gehor'sain.
ongezien, un"gese'hen.
ongezind, un"geneigt.
ongezocht, un'gesucht.
I der Gof'tesleug'-
.g l ner, 2, der A-
"2 ' theist', ö.
? I die Gof'tesleug'-
= nerin, 5.
ongodisterij, die Got"tes-
leug'nung. der A-
theis'mus.
ongunstig, un"gün'stig.
mihandelbaar, un"lenk'-
sam.
onhandig, un'geschickt',
lin'kisch, töl"pelhaft'.
onhebbelijk, un"inanier'-
lich.
onheil, (ongeluk:) das Un'-
heil, 1.
onherbergzaam, un"gast'-
freund'lich, un"wirt'-
lich.
onherroepelijk, un"wider-
ruflich.
onheuglijk, un"denk'lich.
de oningewijden, die ün"-
ein'geweih'ten.
onjuist, un"rich'tig.
onkiesch, un'fein.
onkosten, die tIn"ko'sten.
onkruid, das Un'kraut
onkunde, die Un"vvi8',-en-
heit.
onkundig, un"wis'send.
onlangs, neu'lich, neu'-
erdings.
onleesbaar, un"les'bar,
un"le'serlich.
onloochenbaar, un"leug'-
bar.
onlusten, die Un"ru'hen.
onmacht, die Ohn'macht.
onmachtig, ohn"m;ich'tig.
onmatigheid, die Un"-
mä'ssigkeit.
onmeedoogend, un"barm-
her'zig.
onmensch, der Un'mensch.