Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
116
na, nach.
naad, die Naht, 2*.
naaien, nä'hen.
naaister, die Näh'terin, 5.
naakt, nackt.
naald, die Na'del, 5.
naam, der Na'me, 4.
naäpen, nach"äffen.
naar, nach.
zeer naar, sehr schlimm.
naast, nächst.
naaste, der (die) Näch'-
ste, 5
onze naasten, unsere
Näch'sten; un'sere
Mif'men'schen.
nabootsen, nach"ah'men.
nabootsing, die Nach"ah'-
mung, 5.
naburig, benach'bart.
naburigheid, die Nach"-
barschaft'.
nabuur, der Nach'bar, 4.
nabij, na'he bei.
nabijheid, die Nä'he.
nacht, die Nacht, 1*.
nachtegaal, die Nach'ti-
gall, 5.
nachtelijk, nächt'lich.
nadat, nachdem'.
nadeel, der Nach'teil, 1;
der Scha'den, 2.
nadeelig, nach"tei'lig.
nadenken, nach"den'ken.
nader, nä'her.
naderen, nähern, na'hen;
iemand naderen, sich
einem iiä'hern.
naderhand, nachher'.
nadrukkelijk,
nach"drück'lich.
nagedachte, das Nach"-
den'ken.
nagedachtenis, die Erin'-
nerung, 5; das An'-
denken, 2.
nagel, der Na'gel, 2*.
nagenoeg, bei"na'he.
nagerecht, der Nach'tisch.
nageslacht, die Nach"-
kom'menschaft.
najaar, das Spät'jahr,
der Herbst.
naklucht, die Pos'se als
Nach'spiel.
nakomelingschap, die
Nach"kom'menschaft.
nalatenschap, der Nach'-
lass, 1*, die Hinterlas'-
senschaft, 5.
nalatig, nach"läs'sig.
namaaksel, die Nach"ah'-
mung, 5.
nameloos, na"menlos'.
namelijk, näm'lich.
namiddag, der Nach"mit'-
tag, 1.
nar, der Narr, 5.
nat, 11 ass.
natie, die Nation', 5.