Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
109
te loor gaan, veiio'ren ge'-
hen,
loos (sluw:) schl.au;
{leeg:) leer.
lootje, das Los, 1.
loovertje, das Flit'terchen,
2.
lor, der Lum'pen, 2.
lorkeboom, der Ler'chen-
baum, 1*.
J Lorre {papegaai:) Pap'-
chen.
los, los.
losbandig, los; lie'derlich.
losbarsten, lo8"bre'chen.
lostornen, auf'tren'nen ;
auf'rei'.ssen.
het lot, das Los, 1; das
Schick'sal, 1.
loteiing, der Konskri-
bier'te, 5.
loterij, die Lotterie', 5 ;
het toien;) die Lo'sung,
5.
louter, bloss, nur, allein',
ein'zig.
lucht, die Luft, 1*.
luchtreiziger, der Luft"-
schif'fer, 2.
luchtstreek, die Him"inels-
gé'gend, 5. Zie ook kli-
maat.
lucifer, das Streich"hölz'-
chen, 2.
lui, faul.
luid, laut.
luidruchtig, lär'mend, to'-
bend.
luier, die Win'del, 5.
luieren, fau'len"zen.
luifel, das Wef'terdach',
3*.
luik, die Lu'ke, 5; {raam-
luik:) der Fen"sterla'-
den, 2*.
Luilekkerland,
das Schlaraffenland.
luim, die Lau'ne, 5.
luipaard, der Leopard',
5.
luister, die Pracht.
luisteren, lau'schen;
zu"hö'ren.
luit, die Lau'te, 5.
luitenant, der Lieu'tenant
{mrv.: -s).
lukken, gelin'gen.
lummel, der 'röl'pel, 2.
lus, die Schlin'ge, 5.
lust, die Lust, 1*.
lusteloos, gleich"gürtig.
lusten, gern es'sen; lie'-
ben.
lusthof, der Lusf'gar'ten,
2*.
lustig, lu'stig
Lutherseh, luthe"risch.
lijdelijk, passiv', lei'dend;
leid'lich.
lijden, lei'den.