Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
koopprijs, der Kaufpreis.
koordtdanser, der Seil"-
tän'zer, 2.
koordedanseres, die Seil"-
tän'zerin, 5.
koren, das Korn, das Ge-
trei'de.
koorts, das Fie'ber, 2.
koortsig, fie'berhaft.
kop, der Kopf, 1*; (fig.)
das Haupt, 3*.
koper, das Kup'fer.
koperdraad, das Kup'fer-
draht', 1*.
koperslager, der Kup"fer-
schmied', 1.
kopie, die Kopie', 5.
kopieeren, kopie'ren.
koppig, hals"star'rig.
koralen, die Koral'len, 5.
korporaal, der Korporal',
1.
korrel, das Korn, 3*.
korst, die Kru'ste, 5.
kort, kurz.
kortademig, eng"brü'stig.
kortswijl, der Spass, 1*.
kortzichtig, kurz"sich'tig.
kortegaard, die Wa'che,5.
kortelings, neu'lich, vor
kur'zer Zeit.
kortelijk, kurz.
kost, die Kost.
kostbaar, kost'bar, (fig.)
köst'lich.
kosteloos, ko"stenfrei'.
kostelijk, köst'lich.
kosten, ko'sten.
koster, der Kü'ster, 2.
kosthuis, das Kost'haus,
3*.
koteleiten, die Kotelet'ten,
5.
koud, kalt.
de koude, die Kiil'te.
kous, der Strumpf, 1*.
kousehand, das Strumpf-
band, 3*.
kouten, plau'dern.
kraag, der Kra'gen, 2*.
kraai, die Krä'he, 5.
kraaien, krä'hen.
kraakzindelijk, (van men-
schen:) übertrie'ben
rein'lich; (van dingen:)
sehr rein und sauber.
kraam, (tent:) die Bu'de,
5; die Nie'derkunft.
kraambed, das Wo'chen-
bett.
kraamvrouw, die Wöch"-
nerin', 5.
kraan, der Hahn, 1*.
de krabbel, die Schram'-
nif, 5.
kracht, die Kraft, 5*.
krachtdadig, wirk'sam;
kräftig.
krachtig, kräftig,
de krak, der Krach.