Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
93
Januari, der Januar'.
japon, das Kleid, 3, die
Ro'be, 5.
jarig zijn, sei'nen (vrou-
welijk: ih'ren) Geburts"-
tag fei'ern.
jas, der Rock, 1*.
jegens, ge'gen.
0 jemine! o Him'mel 1
jenever, der Schiedam;
der Wa"cholderbrannt'-
wein,
jeugd, die Ju'gend.
jeugdig, ju"gendlich'.
jeuk, das Juc'ken.
jicht, die Gicht.
Jodin, die Jü'din, 5.
jolig, lu'stig; fidel'.
jong, jung.
jongeling, der Jüng'ling, 1.
jongen, der Kna'be, 5,
der Jun'ge, 5.
Jood, der Ju'de, 5.
joodsch, jü'disch.
jubilaris, §), der Jubilar',
1.
juffrouw, (gehuwd:) die
Frau, 5; (ongehuwd:)
das Fräu'lein, 2.
jujube, der Brusf'beer-
saft'.
juk, das Joch, 1.
Juli, der Ju'li.
Juni, der Ju'ni.
jurk, der Rock, 1*, das
Kleid, 3.
justitie, die Justiz'.
juweel, das Juwel', 1 en 5.
juwelier, der Juwelier', 1.
kaai, der Kai (mrv.: Kais).
kaakbeen, der Kinii"bak'-
ken, 2.
kaal, kahl; arm; (van
laken:) fa'denschei'nig.
kaap, das Kap (mrv.:
Kaps).
kaars, die Ker'ze, 5, (bran-
dend ook) das Licht,
3.
kaartspelen, Kar"tenspie'-
len.
kaas, der Kä'se, 2.
kaatsbal, der Ball, 1*.
kaatsen, BaU"schla'gen.
kabel, die Ka'bel, 5.
kabeljauw, der Ka"beljau'
(mrv.: -s).
kachel, der O'fen, 2*, die
Ka'chel, 5.
kaf, die Spreu.
kajuit, die Kajü'te, 5.
§) De Duitschers noemen bij dit woord dengene, die
zijn jubelfeest viert, b.v.: de grijsaard-jubilaris, der Ju"-
beigreis'; de dokter-jubilaris, der Ju"beldoli'tor ; depriester-
jubilaris, der Ju"beiprie'ster; enz.