Boekgegevens
Titel: Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Auteur: Bruin, Servaas de
Uitgave: Heusden: L.J. Veerman, ca. 1905 *
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-29
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200416
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse taalkunde
Trefwoord: Duits, Woordenboeken (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Help u zelf op reis met Duitsch: een handboekje voor hen, die Duitsch moeten of willen spreken
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
inschenken, ein"schen'ken.
inschepen, em"schiffen.
inschikkelijk, wilF'fäh'rig.
inschrijving, (inteekening:)
die Subskription', 5.
insect, das Insekt', 5.
insectenkunde, die Insek"-
tenkun'de.
insgelijks, gleich'falls,
e"benfalls', e"benso'.
inslapen, ein"schla'fen;
ein"schlä'fern.
inslikken, (inslokken:) ein"-
schluc'ken.
inslurpen, ein"schlür'fen.
insmeren, ein"schmie'ren.
insolvent, insolvent'.
insolventie, die Insolvenz',
5.
inspuiting,
die Ein"sprit'zung, 5.
instantelijk, driji'gend;
ernst'lich.
instituut, das Institut', 1.
inteekenaar, der Sub'skri-
bent", 5.
inteekenen op, sich abon-
nie'ren auf.
inteekening, die Sub'skrip-
tion", 5.
integendeel, im Ge'genteil.
interest, die In"teres'se, 5;
der Zins, 5.
intiem, vertraut'.
intocht, der Ein'zug 1*.
intrigeeren, intrigie'ren.
intijds, zei'tig.
inventaris, das Inventar',
(mrv. Inventa'rien).
invloed, der Ein"fluss, 1*.
invoerrecht, der Ein"fuhr-
zoll', 1*.
inwoner, der Ein"woh'-
ner, 2.
inwijden, ein"wei'hen.
inzage nemen van, durch"-
se'hen.
ter inzage, zur An'sicht;
zur Durch'sicht.
inzamelen, ein"sam'meln.
ivoor, das El'fenbein.
ja, ja.
jaar, das Jahr, 1.
jaarlijksch, jahr'lich.
het jacht, die Jacht, 5.
de jacht, die Jagd, 5.
jager, der Ja'ger, 2.
jak, die Jac'ke, ö.
jaloersch, ei"fersüch'tig.
jaloezieën, die Fen"ster-
schir'me, 1.
't is jammer, es ist Scha'-
de; hoe jammer, wie
bedau"ernswert'.
jammeren, jam'mern.
Jan, (windzak:) der
Wind"beu'tel, 2; (kof-
fiehuisknecht:) der Kell'-
ner, 2.