Boekgegevens
Titel: Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Auteur: Bruins, F.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1878
6e, herz. dr
Opmerking: II
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2489
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200395
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
De kentering wordt door hooge bergketens, die min of meer in
de richting van de meridianen loopen (b. v, op Sumatra en het
Echiercil. van Makassar) zeer belemmerd, zoodat men soms eenen
tijdlang aan weerszijden van het gebergte tegengestelde moesons
heeft. Het woord moeson beteekent „vaste tijd,"
De gemiddelde temperatuur is te Batavia 80° F. (gewoonlijk
verschillen de hoogste en de laagste thermometerstanden in het etmaal
aldaar van 16 tot 20° F.), te Soerabaija 82° F., te Padang 80°
F., in de Padangsche Bovenlanden 75° F., te Pontiünak 83° F.,
te Koepang 78°, terwijl ze op .hooge bergtoppen daalt tot 32° F.
§ 4. Bevolkivfj. Eene bonte mengeling van volks-
stammen bewoont den Indischen Archipel; meestal
behooren ze echter tot het zoogenaamde Maleische
menschenras. De eigenlijke Maleiers vormen de meest
ontwikkelde kern der bevolking. Hunne bakermat is
het voormalige rijk van Menting-Kabau op Sumatra. Met
hen verwant zijn: de woeste Battaks en de Atsjineezen
op Sumatra, de Soendaneezen op West-, de eigenlijke
Javanen op Midden- en de grootendeels Madoereesche
bevolking op Oost-Java, de verwilderde Dajaks op Borneo,
de zeevarende Boegineezen en Makassaren op Celebes,
de Balineezen en verdere bewoners der kleinere Soenda-
eilanden , alsmede de Alfoeren op de Molukken en
noordelijk Celebes. De negerachtige Papoea's bewonen
Nw.-Guinea en de nabijgelegen eilanden.
De Maleiers zijn klein, doch gespierd en welgebouwd. Uit-
stekende wangbeenderen, grooten mond en schuintandige kaken
zijn algemeene keumerken. Hunne kleur is van geel tot donker-
bruin; ze hebben lang, sluik, zwart, glanzig haar; groote, vurige,
donkere oogen; den dunnen baard plukken ze meest uit; de neus
is plat en breed; de beenen zyu dun. Alle Maleiers zyn wraak-
zuchtig, ofschoon zij hunne gewaarwordingen onder een masker
van doffe onverschilligheid weten te \erbergen; vooral de Boegi-