Boekgegevens
Titel: Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Auteur: Bruins, F.
Uitgave: Groningen: P. Noordhoff & M. Smit, 1878
6e, herz. dr
Opmerking: II
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2489
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200395
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Driemaal den aardbol om!: aardrijkskunde voor de volksschool in drie ineensluitende leerkringen
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
§ 3. Klimaat. Twee oorzaken brengen buitenge-
wone uitersten in het klimaat te weeg: 1. de ver-
bazende uitgestrektheid van Rusland, over 25 breedte-
graden, 2. de samenhang des lands met het groote
vastland van Azië. In het N. ontdooit de steeds bevro-
zen grond des zomers maar weinige c M. diep; het Z.
heeft zelfs heetere zomers dan Italië. Overal een groot
verschil tusschen de zomerwarmte en winterkoude.
In 't N. is de winter regenloos; de koude stijgt tot— 40° C.;
6 a 7 maanden duurt de gladde sledebaan. In 't midden valt in
alle jaargetijden regen, meest in den zomer; van 't W. naar 't O.
neemt de regenhoeveelheid zeer af. In 't Z. is de zomer regenloos;
daarom is hier 't gebied der steppe: de zomerloofboomen verdwij-
nen uit gebrek aan regen; de .altijdgroene loof boomen kunnen de
strenge winters niet verdragen.
§ 4. Bevolking. Rusland wordt bewoond door een
bont mengelmoes van volksstammen. Vooral te noemen
zijn: Polen, Letten, Esten, Littauwers, Duitschers
(in de Oostzeeprovinciën), Finnen, Lappen, Samoje-
den. Kozakken en Russen. De laatsten zijn het heer-
schende volk. Ze zijn goedaardig, maar ruw, meest
zonder schoolonderwijs, bijzonder geschikt tot kunstige
handwerken. Zij behooren tot de Grieksch-Katholieke
kerk, wier opperhoofd de tsaar is.
§ 5. Landbouw en Bedrijf. De scherpe tegenstellingen in het
klimaat van Eusland vertoonen zich ook in den plantengroei. Van
het N. naar het Z. merkt men 4 zeer onderscheidene plantengor-
dels op: 1. den gordel der moerassen {toendra), niets dan on-
vruchtbare mosvlakten, die in den winter met de ijsvelden der
aangrenzende zee éene vlakte uitmaken; 2. den gordel der wouden,
vau de toendra tot den Oeral-Baltischen landrug, eindelooze bosschen
van berken en laag naaldhout, met een' grooten rijkdom aan pelsdie-
ren; 3. den gordel der bouwlanden, tusschen de beide landruggen,
de korenschuur des r^jks; 4. den gordel der steppen, ten Z. van