Boekgegevens
Titel: Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Deel: Derde stukje getallen van 1-1000
Auteur: Bruin, D. de
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1888
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2337
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200359
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
61
1. Een tuinman verdiende per week 8 gulden en 50
cent. Een timmerman verdiende per week 15 stuiver
meer. De timmerman verdiende dus elke week cent.
2. Jan had in zijn spaarpot 4 gulden en 36 cent.
Op zijn verjaardag kreeg hij er 2 gulden en een kwartje
bij. Toen bezat hij dus cent.
3. Een heer had 3 rijksdaalders bij zich. Hij kocht
eerst een kistje sigaren voor 2 gulden en toen nog voor
75 cent tabak. Hij had toen cent over.
4. Een boer verkocht op de markt 375 roode en 530
witte kooien. In 't geheel verkocht hij dus kooien.
5. Aan den eenen kant van een weg stonden 245
boomen. Aan den anderen kant stonden er 27 meer.
Aan beide kanten stonden dus te zamen boomen.
6. Een herder had 554 schapen. Hij verkocht er
80 van. Toen had hij er nog
7. Iemand gaf van 5 gulden eerst 42 cent en daarna
7 stuiver uit. Hij had toen nog cent.
8. Een man kocht een huisje van 538 gulden en
een tuintje voor 225 gulden. Hij verkocht ze later beide
voor 800 gulden. Hij won dus gulden.