Boekgegevens
Titel: Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Deel: Derde stukje getallen van 1-1000
Auteur: Bruin, D. de
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1888
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2337
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200359
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het schriftelijk rekenen in verband met het mondeling rekenonderwijs in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
3:5
1. Jau had 240 cent, Piet 180 cent en Willem 490
cent. Die drie jongens hadden samen cent.
2. Een paard kostte 750 gulden en eene koe 380 gul-
den. Het paard kostte dus gulden meer dan de koe.
3. Een arbeider verdiende des Maandags 180 cent,
des Dinsdags 140 cent, des Woensdags 150 cent, des
Donderdags 190 cent, des Vrijdags 160 cent, en des
Zaterdags 120 cent. In die week verdiende hij dus
cent.
4. In een bosch stonden 940 boomen. Er werden er
380 omgehakt. Toen stonden er nog
5. Een boer verkocht een paard voor 480 gulden,
eene koe voor 240 gulden en een varken voor 00 gul-
den. Hij ontving dus gulden.
6. Eene juffrouw kocht voor 2 gulden en 80 cent
koffie en voor 4 gulden en 60 cent thee. Zij betaalde
met een gouden tientje. Zij moest dus cent terug
ontvangen.
7. Gerrit had 3 rijksdaalders in zijn spaarpot. Wil-
lem had 3 gulden en 90 cent bespaard. Gerrit had
dus cent meer dan Willem.
de Bruin, Rekenen. III. 3