Boekgegevens
Titel: Beginselen der analytische meetkunde
Auteur: Bos, D.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1990
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200352
Onderwerp: Wiskunde: meetkunde: algemeen
Trefwoord: Meetkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der analytische meetkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
4. Eveneens voor y —
§ 18.

x->rT
Het is bekend, dat men dikwijls de grootte van
hoeken bepaalt, door den boog te meten op welke zij als
middelpuntshoek in een cirkel met den straal 1, staan.
De hoek van 360° staat op een boog 27r = 6.2832, 1° is
dus
271
360
= 0.0087266. Een hoek van 90° is = 1.5708 enz.
De hoek 57° 17' 45" is = 1.
De sinussen, cosinussen enz. dier hoeken worden ook be-
paald door de lengte van lijnen in denzelfden cirkel en worden
dus met dezelfde maat gemeten als de bogen.
Laat nu gevraagd zijn de punten te teekenen, wier coör-
dinaten voldoen aan de vergelijking y = Sina!.
Men zet diis op de X-as van O uit, de lengte van ver-
schillende bogen af, en richt in die punten loodlijnen op
gelijk aan de sinussen dier bogen. De eindpunten tUer lood-
lijnen zijn in fig. 11 aangegeven.
Fig. II.
Men vindt voor de waarde der sinussen:
0° = 0 sinus = O 180° = 3.142 sinus = O
20° = 0.349 „ =0.342 160° = 2.792 „ =0.342
40° = 0.698 „ =0.643 140° = 2.443 „ =0.643
60° =1.047 „ =0.866 120° = 2.094 „ =0.866