Boekgegevens
Titel: Korte verhalen en merkwaardige bijzonderheden uit het leven van groote mannen
Auteur: Arrenberg, R.
Uitgave: Leiden: Noothoven van Goor, 1876 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 926
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200078
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Europa
Trefwoord: Bekende mensen, Geschiedenis (vorm), Kinderverhalen (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte verhalen en merkwaardige bijzonderheden uit het leven van groote mannen
Vorige scan Volgende scanScanned page
VOOnVAL VAN DKN DAUPIilN VAN FRANKRIJK,
hij : »de lieeren moeten weten, dat ik nocli knecht noch
meid lieh, en dat gij deihalve uwe paarden zelf moet
bezorgen. Wat de keuken betreft, wij zullen ons vroo-
lyk maken met hetgeen ik heb; hetwelk ten minste beter
is, dan hetgeen gij in het dorp zoudt hebben kunnen krij-
gen." Zij bedankten den pastoor voor zijne vriendelijk-
heid en betuigden er dubbel mede tevreden te wezen.
Nadat zij hunne paarden hadden binnengebracht,
wees de pastoor hun den hooizoldei', en zeide, dat zij
naar boven konden klimmen om hel hooi af te ha-
len, iets dat door den hertog van Vendôme werd ver-
richt. Vervolgens bracht de pastoor hen in de keu-
ken, alwaar hij hen in alle oprechtheid te kennen gaf,
dat hij hen nergens op onthalen kon dan op een scha-
peboul, welken hij ook oogenblikkelijk van den spijker
kreeg en aan het spit stak. Maar vermits hij nu zelf
het een en ander te beschikken had, zoo verzocht hij,
dat een van de diie heeren onderwijl het spit zoude
draaien en zorg dragen, dal het vleesch gaar werd :
dit werk nam de dauphin op zich en verrichtte zulks
rnet het uiterste vermaak.
Nadat het stuk vleesch was gebraden en op tafel ge-
zet, vroeg de hertog van Vendôme, of de pastoor niels
te drinken had, waarop deze ten antwoord gaf, dat hij
nog een vaatje goeden wijn had liggen, hetwelk nog
niet opgestoken was, en daarop keerde hij zich tot den
hertog van Enghien, en zeide: »Gij, mijnheer, hebt
nog niels gedaan, en moet evenwel ook iels voor den
kost doen; neem derhalve de kaars, en ga met mij
naar den kelder om het vaatje op te steken." Zich
vervolgens naar den dauphin en den hertog van Ven-