Boekgegevens
Titel: Korte verhalen en merkwaardige bijzonderheden uit het leven van groote mannen
Auteur: Arrenberg, R.
Uitgave: Leiden: Noothoven van Goor, 1876 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 926
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200078
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Europa
Trefwoord: Bekende mensen, Geschiedenis (vorm), Kinderverhalen (teksten)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte verhalen en merkwaardige bijzonderheden uit het leven van groote mannen
Vorige scan Volgende scanScanned page
Vr.EEMDE VONNISSEN VAN DEN HERTOG VAN OSSÜNA.
ketenen droeg. De tweede vertelde, dat de vervolging
zijner vijanden, maar geenszins eigen schuld, hem in
die ellendige slavei nij had gebracht. De derde, dat men
hem openbaar onrecht had gedaan, door hem te ver-
oordeelen, zonder behoorlijk zijne zaak onderzocht te
hebben. De vierde, dat de lieei' van zijn dorp, die op
zijne vrouw was verliefd geworden, allerlei listen en
lagen had in het werk gesteld, om hem lot zulk een
wreed lot te doen veroordeelen. De vijfde, dat hij van
Somma geboortig was, en dat iedereen aldaar nog kon
getuigen, hoe hij altijd ais een eerlijk man had geleefd,
maar, met anderen valschelijk van diefstal beschuldigd,
was hij, niettegenstaande er geen bewijs was geweest,
onschuldig veroordeeld. De zesde, een looze guit, die
aan hel gelaat van den onderkoning wel bemerkte, dat
deze aan dit alles weinig geloof hechtte, en niet ge-
negen scheen om hen van de roeibank te ontslaan,
wendde hel over een anderen boeg: Voortreffelijke
Heer, zeide hij, ik ben van Napels, en ofschoon dat
eene groole stad is, lieeft men daar in langen tijd
geen grooter schelm gevonden dan ik ben; ik heb zeer
vele misdaden bedreven, van welke de minste den dood
heeft verdiend, en nochtans heelt de rechter mij de ge-
nade bewezen om mij slechts naar de galeien Ie ban-
nen. De onderkoning, keek hem eerst eens flink in de
oogen en keerde zich daarna lot den bevelhebber, zeg-
gende: »schielijk, schielijk, maak dezen man los uit
de ketenen, en zend hem weg, want een schurftig
schaap kan al de goede besmelten, en er bestaan
geen redenen, om zulk een schelm onder zoovele eerlijke
lieden to laten bleven!'