Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
de twee honden.
40
Hij maakte 't straks weer goed door nieuwe vleijerij,
En al zijn bijten kreeg den naam van jokkernij.
Op 't allerminst gerucht was reeds zijn moed verloren;
Maar schoon hij zijn gekef ontijdig steeds liet hooren,
Hij bleef desniettemin
De lustige Joli, de vriend van 't huisgezin.
Lisette was 't vooral die zich in 't beest verblijdde;
Op 't bed en aan den disch was 't hondje haar ter zijde.
Zij volgden eéne levenswijs:
In slapen, eten of in spelen;
Ja 't laatste kon hen nooit vervelen:
Zij dongen daarin om den prijs,
Fidel, de tweede Hond, hield minder van vermaken:
Hij was van and'ren aard, op kunstjes niet bedacht
En ernstig van natuur, ging dikwijls mee ter jagt,
Of bleef zorgvuldig 't huis bewaken;
AVas trouw en onversaagd Avanneer er onraad was,
En blafte slechts als 't kwam te pas.
Hij sterft. Men hoort geen mensch van hem gewagen,
En werpt hem, onbetreurd, ter huisdeure uit met spoed.
Joli sterft ook. Straks vloeit een bitt're tranenvloed.
Men hoort het huisgezin zijn vroegen dood beklagen;
Ja heel de buurt zelfs toont, om't sterfgeval, haar smart.
Soms geldt een grein vernuft veel meer dan 't deugdzaamst hart.