Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
DE TWEE HONDEN.
Hoe dikwijls ziet men hier op aarde
De waarheid zwichten voor den schijn,
En gaven van de meeste waarde
Somtijds het minst in achting zijn.
Die pest verspreidt zich alle dagen;
]\Iaar hoe toch weert men 't best dat kwaad?
Ik twijfel of deez' plaag der plagen
Zich ooit van de aard verdi'ijven laat.
Éen middel slechts kan 't doen veränderen:
En O! kwam eens die ommekeer!
'tis, als de zotten werden schrand'ren: —
Maar neen, zij worden 't nimmermeer.
Zij kunnen niets naar eisch waarderen.
'tVerstand is blind, waar 'toog slechts ziet;
Het slechte zullen ze eeuwig eeren.
Want zij begrijpen 't goede niet.
Twee honden dienden zaam cun Heer,
Joli, een van de beide dieren.
Deed menig kunstje, en was vol vrolijke manieren;
Aan elk, wie 't beestje zag, behaagde 't even zeer.
Hij speelde wild en onbedwongen,
't Verloor'ne zocht hij op, 't geen hij ook spoedig vond.
Men prees zijne aardigheid, men lachte om zijne sprongen.
En riep: //'t leeft alles aan dien Hond!"
Doch dikwijls beet hij wie liem streelde,
(Zoo valsch was hij van aard), 't geen echter nooit verveelde: