Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
46 ELPIK.
Dat toch zijn lof op ieders tong mogt zweven.
Want menigeen — die, als 't geboorteregt
Hem niet verhief, en liij den rang had van zijn knecht.
De plaats eens dienaars naauw bekleen zou naar behooren —
Staat thans naar eer, en laat door glorie zich bekoren.
Hoe meer zijn ledig hoofd is opgevuld met waan,
Hoe stouter vaak zijn hart naar eer en roem zal staan.
In de eigen stad, waarin die trotschaard woonde,
Bevond zich een vermaard Poëet,
Een, die verdienste prees, wiens zang de deugd beloonde,
En haar onsterflijk worden deed.
Elpin bad deez' op hem een lofgedicht te maken.
//Zoo is het," sprak hij, //dat ge in aanzien kunt geraken,
//Vermits mijn naam gewis u 't spoor daartoe bereidt.—"
//Neen," riep de Dichter, //neen! die eisch wordt u ontzeid,
//Daar ik gelofte deed uit eigenzinnigheid,
u (En deze laat zich niet bedwingen)
* Van welverdiensten, maar geen naam ter eer te zingen."
DE ONSTEEEELIJKE A ü T E U E.
Een vlug auteur schreef veel om voordeel.
En werd een wonder van zijn tijd;
Der Eecensenten gunstig oordeel
Had reeds hem de eeuwigheid gewijd.
De wxrken, die hij liad geschreven,
Zag hij tot zesmaal toe in 't licht;
En, nog voor 't einde van zijn leven,