Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page

38 DE HOND.
Phylax sprak : // 't is al te waar,
;/ Pantalon! 'k ben in gevaar.
// Had ik slechts niet ingenomen,
H 'k Waar' wel weder opgekomen.
// Denk vrij, zoo ik heden sterf,
H Dat ik, na mijn droevig kwijnen,
//Door 't gebruik dier medicijnen, —
// Door niets anders — 't leven derf.
// Ach! ik stierf nog wel te vreên,
//Zoo ik slechts zoo menig been.
// 't Welk ik spaarde en nu moet derven,
// Af mogt kluiven vóór mijn sterven.
//Dit bekommert mij vooral.
'i // Dat ik die, vóór 't eind mijns levens,
// Niet gebruiken kan, en tevens
// Ook niet met mij nemen zal.
//Zoo gij trouw zijt en mij mint.
// Haal mij één daarvan, mijn vrind!
// 't Geen gij bij de hooge linden
// Voor de boomgaarddeur zult vinden.
//Liefste Pantalon! ga heen.
// Breng mij 't geen ik gistr'en morgen
//Daar heb achter 't rijs verborgen....
// Maar o kluif toch niet aan 't been !"
Pantalon, die trouwe Hond,
Liep, en bragt liem 't geen hij vond:
Phylax, die niets kon gebruiken.
Tracht nog eens daaraan te ruiken.
Eindlijk, reeds half dood en blind,
Sprak hij: // raak niet aan die bonken!
//Sterf ik, dan zijn ze u geschonken;
,1 «Maar niet eer: verstaat gij 't, vrind? *