Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
32 DE DOOD TAN DE VLIEG EN DE MUG.
])c Mug beklaagde haar vriendinne:
//Pit/' sprak ze, //zal mijn graf niet zijn;
n \ Is 't glansrijk licht dat ik beminne:
« En geenszins is 't een beker Avijn."
Doch door het kaarslicht sterk omschenen,
Viert zij haar ,lust zoo veel zij mag,
Verbrandt straks jammerlijk haar beenen,
En sluit haar leven met een — //ach!"
Gij, die, voldoende aan uw begeeren,
U zeiven in 't vermaak verdierft!
Eust wel, en laat mij, n ter eere,
Betuigen dat gij menschlijk stierft.
DE BOEE EN ZIJN ZOON.
Johan, een domme boerenzoon,
Dien jonker Hans als knecht op reis luid meegenomen,
AVas met de gaaf van, trots zijn meester, wonder-schoon
En stout te liegen, weêrgekomen.
Hij moest, op zek'ren morgenstond.
Zijn Vader naar de stad verzeilen.
Johan begon met drift al dad'lijk te vertellen,
En loog, daar hij al wandalend tijd tot liegen vond.
Stout met een onbeschaamden mond.
Maar, ongelukkig, kwam een hond hem onder de oogen.
Die door zijn grootte hem weer stof gaf tot een logen.
// De hond is groot dien gij daar ziet: