Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET KIND EN DE SCHAAK. 15
AVij laten, even als dit kind,
Die dingen na, waarin ons hart geen waarde vindt, —
Om die te doen, die ons het grootst genoegen geven,
't Eerouw komt — en wij zien, hoe sehand'lijk wij misdreven.
Dan denken we als deez' Knaap, dan bidden wij als hij.
Wat zegt bij velen dit: // o God! beveilig mij,
»Dat ik nooit me aan die misdaad schuldig make?" —
Wat anders toch, dan: "geef, dat ik daar niet naar hake,
u Opdat mijn hart van dwang ontslagen zij ?"
DE TWEE WANDELAARS.
Twee wand'laars overviel de nacht.
« Zeg, Volkert! neem u wel in acht!"
Sprak Flip, alreeds van fingst aan 't beven,
« Opdat wc ons niet van 't pad begeven!
u Daar ginds zweeft ons een dwaallicht vóór.
//Dat wij ons nu voorzigtig hoeden,
» En blindelings niet derwaarts spoeden;
// Want anders missen wij het spoor."
//Goed! goed!" sprak Volkert, min vervaard,
// Spoed u dan voort! maar 'k zou den aard
// Van 't geen een dwaalkaars wordt geheeten,
// Mijn vriend! toch gaarne willen weten.
// Geleerden zeggen: 't is alléén
»Een damp, uit poelen opgerezen.
"Dit zou wel waarheid kunnen wezen,
» Doch — 't liegen is bij hen gemeen."