Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
14 HET KIND EN DE SCHAAK.
u Dat niets dat kwetsen kan, u ooit tot speeltuig strekk'—"
De knaap gehoorzaamt: maar een heimelijke trek,
't Verbod-zelf, schijnt de Schaar veel schooner nog temaken.
// Ja," spreekt hij bij zich zelv', « indien 't de Vork nog waar',
//'k Heb die niet half zoo lief; 'k zou daar niet eens naar haken____
n Maar niet te raken aan de Schaar !
« Wat zou ze mij een vreugd doen smaken!
»Wat hangt zij aan een mooijen band!
// Gesteld, ik kwetste mij een weinig aan de hand,
» Dat zou mij immers luttel deren.
H Hoe klein ik ben, 'k heb toch verstand.
// Zoo Moeder straks zich om mögt keeren,
u Zal ik het wagen — och! ik zal mij niet bezeeren.
//Maar mogen kind'ren doen hetgeen men hun verbiedt?
u Neen! 'k zou dan kwaad doen ... doch, ik kan mij niet weèr-
//ó Schoone Schaar! 'kmoet u beschouwen, (houêu.
u U kussen... 't is geen mes; neen, daaraan raak ik niet...
Dus zal ik toch..." Hij grijpt de Schaar, //'k Zal wel vermijden,
i'Dat zij mij kwetst; — indien ik onvoorzigtig waar',
fKon 't ligt gebeuren; doch ik ben bekend met haar.....
// Ik zal voorzeker mij niet snijden."
Dus sprak hij nog, en sneed zich in de hand.... hij bloedt.
De Moeder komt. Het Kind valt haar te voet.
ó Harde les! Het roept: // Och Moeder! 'k heb misdreven !
//'k Was ongehoorzaam: 'k bid dat gij 't mij wilt vergeven.
// Maar breek de Schaar, dat zij mij nooit weêr valle in 't oog,
//Opdat ik zonder dwang gehoorzaam wezen moog'."
Hoe dikwijls kan men bij dit Kind ons vergelijken?
Door God van wetten wel voorzien.
Die billijk zijn, en tot ons heil ons 't middel biên,
Haakt toch de mensch, er staag van af te wijken.