Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET LAND DEE HINKENDEN.
Het was in zeker land, voorheen,
't Gewoon gebruik bij groot en kleen,
Dat allen stamelende spraken
En niemand ooit dan hinkend ging:
't Was mode, als and're fraaije zaken.
Dat misbruik zag een vreemdeling.
^ Hier zal mij, om mijn' gang, elk met verwond'ring groeten."
Dus dacht hij, en ging voort met vlak gezette voeten.
Hij liep, en ieder zag hem aan.
Elk lachte die hem zag, ja bleef al lagchend staan.
En riep: // leert toch dien vreemd'ling gaan." —
Om dit verwijt van zich te weren
Vond zich de vreemdeling tot tegenspraak verpligt:
fGij," sprak hij, »gij, die mij beticht!
« Gij hinkt, ik niet. Ei, tracht dien gang toch af te leeren!"
't Geroep vermeerdert op dat woord.
Nu elk de spraak des vreemd'lings hoort:
» Hij stamelt niet! o schande! o welk een mislijk spreken !"
Straks vangt men aan alom den spot met hem te steken.
Zoo we aan een fout van jongs af zijn gewoon,
Wordt ze eind'lijk in onze oogen schoon:
En vruelitloos zal een wijze 't wagen,
Ons die als dwaasheid voor te dragen.
Men noemt zijn woorden zotternij,
Alleen — omdat hij wijzer is dan wij.