Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
133 de vlieg.
//Als stichter van die pracht, zoo hoog in top getogen?
'/Waar is, waar was hij toch? wie had zooveel vermogen?
ff 'k Ileb daar geen denkbeeld van: er steekt iets wonders in ;
ff Wie zou het kunnen zijn?'' — ffDe Kunst," sprak de oude Spin,
ff De Kunst is 't inderdaad die dezen tempel bouwde,
ff Gij vondt, waar ge u ook wendde als gij dien regt beschouwde,
ff In alles orde en wet. Wat volgt hier anders uit,
ff Dan dat dc kunst hem Avrocht?" — De Vlieg ging overluid
Aan 't lagehen, om de Spin op 't schamperste te honen. —
ff De Kunst!" dus sprak zij: ff wat's de Kunst? kunt gij't me toon en?
ff'k Span al mijn denkkracht in, en zie, hoe ik 't ook keer,
ff Een enk'len naam, die slechts verdicht is, en niets meer.
ff Van waar onstond de Kunst? Neen ! 'k zal dit nooit gelooven :
ff Dit sprookje gaat te ver 't gezond verstand tc boven,
ff ^laar leer het nu van mij! 't Geval bragt hier alleen
ff Verscheiden steenen van gelijken aard bijeen;
ff De aantrekking moest allengs die zoo te zaam verbinden.
/'De groote holle steen, waarop wij ons bevinden,
ff Strekt daarvan tot bewijs. Geen kunst'naar wrocht dit, neen !
ff't Is immers zonneklaar, het Toeval was 't alleen."
't Is draag'lijk dat zoo Vliegen denken,
Daar 't hunnen staat toch niet kan krenken:
Maar dat men groote geesten vindt,
Die, door hun stouten waan verblind,
Al *t licht ten trots, in hun gedachten
Den tempel der Natuur slechts achten,
Als of 't geval dien had gebouwd;
En liever zelf door 't toeval leven.
Dan dat van hun bestaan God de eer word' toegeschreven,—
Dat kan men geenszins hun vergeven,
Ten zij men hen voor zotten houdt.