Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
118 de f IJ n e.
Schoon u de last'raar hoont, Beatrix! neem geduld!
Hij zegg' vrij, dat gij dus Gods Almagt om wilt koopen,
Opdat ge van de straf voor 't woek'ren vrij moogt loopen.
Dat hij u spottend doeme, alsof gij waart geneigd
ïot lasteringen, die elks goeden naam bevlekken;
Alsof het u tot blijdschap kon verstrekken.
Wanneer uw evenmensch met rampspoed wordt gedreigd;
Alsof ge uit 's naasten leed uw grootste vreugd kondt rapen;
Alsof dan al uw deugd alléén bestond in schijn!
Zwijgt, spotters! zwijgt! Dit kan niet mooglijk zijn:
Want biddend staat zij op, en zingend gaat ze slapen.
DE EEND.
Een zwemmende Eend zag aan den zoom
Van den zoo modderigen stroom.
Waaruit zij 't hoofd had opgeheven,
Een koppel vette Ganzen gaan.
En voelde, uit aangeboren waan.
Zich straks tot spotternij gedreven.
Luid schat'rend, driewerf achteréén.
Keek zij wijsneuzig om zich heen.
Daar zij een inval had gekregen.
Waarin zij iets vernuftigs vond. —
(Daar 's in den waan, hoe ongegrond,
Een zonderling vermaak gelegen. —)
Een Gans, die de Eend nu tegeu trad.
Vroeg, wat zij haar te zeggen had.