Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
112 hettestament,
Hij pijnigt zich en breekt zich 't hoofd,
Opdat zijn gehl zooveel als moog'lijk moog' vcrmeêren;
Maar laat, uit gierigheid, hém echter ledig keeren,
Wien hij de helft daarvan op int'rest had beloofd.
Nog arm, had hij zich zat gegeten,
Maar dorst, in rijker staat, nooit zijn genoegen eten, —
Ja sneed vaak van het brood, dat hij den zijnen gaf.
Nog klagende over God en dure tijden, af;
Daar ied're nieuwe dag hem nieuwe zorg verwekte.
Hij zijn gezin tot last, zich zelv' ten plaag verstrekte.—
Maar de and're buurman dreef den spot
Met dezen vi'ck, en sprak: n die dwaasheid zal ik weren;
// Ik wil mijne erfenis verteren,
//Mij wat te goed doen, mij verheugen in mijn lot."
Hij hield zijn woord, en zag, in korte tijden.
Weer and'ren meester van zijn goed;
En gaat den weg, dien hij plagt op en neer te rijden,
Nu weder ongemerkt te voet.
Toen riep hij : // Buurman ! ach! wat baat ons toch het erven ?
ffPhilémon heeft het wel gedacht,
ff Dat ons de rijkdom zou bederven;
ffPlnlémon straft ons na zijn sterven,
ff Terwijl (jij bij zijn geld van honger schier versmacht,
ff Heb ih het roekloos doorgebragt.
ff Wij waren 't goud onwaard: dit lijdt geen tegenzeggen,
ff Want geen van beiden wist ten nutte 't aan te leggen."