Boekgegevens
Titel: C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Auteur: Gellert, C.F; Schenkman, J.
Uitgave: Amsterdam: G. Theod. Bom, 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, OTM: KK 06-168
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200031
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Fabels (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   C.F. Gellert's Fabelen en vertelsels
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE ERFLATING. 103
tt Ach!" riep Oront hem toe, bij 't hartelijk omarmen,
ff Ik sterf, mijn dierb're vriend! Ik sterf, en laat al't goed,
-/Dat God mij gaf, u na; ik laat mijn eigen bloed,
ff Mijn zoon u na: gij moet zijn teed're jengd beschermen:
tf Draag zorg dat hij in deugd en eer worde opgevoed!
ir Ik laat mijn vrouw u na; gij moet haar onderschragen:
ff Want gij verdient dat ze u thans worden opgedragen."
A M I N T.
Amint, die zich in grooten nood bevond,
En, wilde hij zijn woning niet ontberen,
(Reeds zwaar belast) tien guldens uit moest keeren,
Bad zek'ren Rijkaard, in wiens dienst hij toenmaals stond,
Op wiens mecdoogend hart zijn hoop zicli had gegrond,
Aan hem dat geld ter leen te geven.
De Rijke hoort des Armen reen.
Maar reeds op 't eerste woord was 't graauwend antwoord:
Hij gaf hem rijklijk tijd tot wcenen, klagen, beven; (ffNeen!"
Hij liet hem lang en troostloos staan;
Om Gods-wil' smeeken, dat zijn beê toch werd voldaan;
Tot tweemaal naar de huisdeur gaan:
Hierop verweet hij hem vooraf met zware vloeken
Zijne ai'moe; toonde hem al grommend, welk een schat
Van kwade schulden hij nog in te vord'ren had;
Daar hij, bij eiken post, gevonden in zijn boeken.
Den armen smeekling met gebiedend, barsch gelaat