Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
755
volgende mede, totdat zij zich allengs tot het andere einde voort-
geplant heeft.
Deze verbreiding der warmte van ieder ligchaamsdeeltje tot
het naaste, dat er onmiddellijk mede in aanra-
king is, wordt geleiding der warmte genoemd.
389. Geleiding der warmte door vaste ligchamen. Warmte-
Gelijk de de voorgaande proef bewezen heeft, neemt het metaal
de warmte der heete gassen, die het aanraken, schielijk op en te lig-
verbreidt ze door zijne gansche massa. Alle metalen zijn goede <•''1'»™®°-
warmtegeleiders.
Proef a. Om een niet te kleinen sleutel winde men een
katoenen draad en trekke de windingen strak aan, opdat zij het
metaal volkomen aanraken. In eene kaarsvlam gebragt, ver-
branden de windingen van den draad niet. Er wordt dus op de
eene of andere wijze aan den draad de warmte, hem door de
vlam medegedeeld, ontnomen. Dit doet de sleutel, terwijl hij
gretig van den draad warmte opneemt en door zijne geheele
massa verbreidt.
Proef II. Een tegengesteld verschijnsel toonen stroo, pa-
pier, hout en vele andere ligchamen. Houdt men eenen stroo-
halm, eene strook papier of eene houtspaan met het eene einde
op eenigen afstand boven eene vlam, dan is aan haar ander
einde geen toenemen van warmte te gevoelen. Zelfs wanneer die
ligchamen in de vlam gehouden worden en onder aanmerkelijke
ontwikkeling van warmte verbranden, is slechts in de nabij-
heid der vlam zelve eene verhooging van temperatuur merkbaar.
Proef r. Wanneer men op de hand eene laag asch ter
dikte van eenen vinger brengt en daarop eene gloeijende kool
legt, dan is dc hand tegen het branden volkomen beveiligd. De
asch neemt de warmte der kool zeer langzaam op en leidt ze
even langzaam tot aan de hand.
Proef d. Eene met heet water gevulde kruik of tinnen flesch
(eene warmflesch) omhulle meu met verscheidene lagen van wol-