Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
754
regter zijde trekt, gaat de bovenste hefboomsarm met de stang
der stoomschuif naar de linker zijde; het regter kanaal van den
stoomcilinder wordt vrij, de stoom komt aan de regter zijde van
den zuiger, de zuigerstang beweegt zich links en draait, in
plaats van voorwaarts in de rigting van den pijl, thans het
groote drijfwiel achterwaarts. Over de geringere wrijving op
spoorwegen vergelijk § 35.
DE VOORTPLANTING DEE WAEMTE.
I. VOORTPLANTING DER WARMTE DOOR GELEIDING.
388. Geleiding der warmte.
Warmte- I'roef ff. Men neme den bol van een thermometer in de
geleiding.holle hand; het kwik zal eerst snel, vervolgens langzamer rij-
zen. Blijkbaar zou het kwik zich niet uitzetten, zoo het niet ver-
warmd was. Maar langs welken weg is de warmte der hand tot
het kwik gekomen? Het dunne glas van den thermometerbolis
in aanraking met de hand; van deze is de warmte op het
glas, en van het glas in het kwik overgegaan. De warmte heeft
zich van het eene ligchaamsdeeltje tot het andere, dat er on-
middellijk mede in aanraking was, voortgeplant of zij is tot dit
laatste geleid geworden.
Proef h. Gelijk de warmte van ieder ligchaam tot het daar-
aan rakende overgaat, zoo ook van de verwarmde deelen tot
de naburige deelen van een en het zelfde ligchaam. Men houde
een kort stuk ijzerdraad met het eene einde in eene kaars-
vlam ; weldra zal men gevoelen hoe de warmte in het ijzerdraad
zich tot de vingers, die het andere einde vasthouden, verbreidt.
De door de vlam verhitte metaaldeeltjes deelen hunne warmte
aan de naastliggende, hen aanrakende, en deze weder aan de