Boekgegevens
Titel: Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Serie: Van Druten & Bleekers goedkope bibliotheek voor alle standen, of verzameling van nuttige werken over allerlei vakken van wetenschap door de beste der hedendaagse schrijvers, [1e afd., serie 1], dl. 12-14
Auteur: Crüger, F.E.J.; Logeman, W.M.
Uitgave: Sneek: Van Druten & Bleeker, 1856-1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-61
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_200029
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen, Natuurkunde: meetmethoden, meettechnieken en instrumentatie van de natuurkunde
Trefwoord: Natuurkunde, Experimentele natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Grondbeginselen der natuurkunde, door de eenvoudigste proeven toegelicht
Vorige scan Volgende scanScanned page
720
Omloop 376. Begen, sneeuw en hagel. Voortdurend stijgt het
water, verdampende water opwaarts; een geheel derde deel der warmte,
welke door de zon op de aarde opgewekt wordt, heeft geene
andere werkzaamheid te volbrengen dan de verdamping van het
water der zee. Als onzigtbare damp stijgt het water op, om als
regen, sneeuw of hagel weêr op aarde neêr te vallen. Als die-
nende molenbeek of als verlevendigende waterweg weder naar
de zee terug snellende, voltooit het zijne gestadige beweging
en zijnen omloop door water, lucht en aarde.
Regen. ®® regen. Door een toereikend warmen wind worden de re-
genwolken gedragen en mede voortgevoerd. Doch wanneer de
wind gaat liggen en de wolk in koudere luchtlagen neerdaalt,
dan vloeijen de waterblaasjes der wolk ineen, worden zwaarder,
vormen droppels en vallen als regen neder. De hoeveelheid
regen, die op eene plaats valt, meet men door het regenwa-
ter in cilindervormige vaten op te vangen en de hoogte aan te
geven tot welke het daarin staat. Zoo hoog zou het water op
den grond staan, indien het er niet door opgenomen werd of
verdampte. De hoeveelheid regen van eene plaats hangt af van
haren afstand van den evenaar, van de nabijheid der zee en van
hare hoogte boven de oppervlakte der zee. Terwijl in Midden-
Europa de jaarlij ksche hoeveelheid regen ongeveer vijf palmen
bedraagt, bereikt zij in de nabijheid van den evenaar eene hoogte
van meer dan twee ellen. Aan de kust is zij rijkelijker dan in
het binnenland, omdat aldaar de hoeveelheid der ontstaande dam-
pen grooter is; op gebergten valt meer regen dan in de vlakten.
Naar de grootte der droppels onderscheidt men stofregen
en plasregen, naar zijne verbreiding over eene kleine uit-
gestrektheid of eene groote landstreek, plaatselijke regen
en landregen.
Sneeuw sneeuw. In den winter veranderen de waterdampen, uit
warmere streken overgewaaid, zich in koude luchtlagen, wier
temperatuur beneden het vriespunt ligt, niet in waterblaasjes,
maar in wolken, die uit fijne sneeuwvlokjes bestaan. Deze groei-